Leerlingen toetsvragen laten bedenken

Gemiddelde leestijd: 7 minuten
activerende werkvormen

Het wil nog weleens een uitdaging zijn om leerlingen kritisch en geconcentreerd naar de lesstof te laten kijken, vooral wanneer het volgende proefwerk nog niet in zicht is. In deze blog geef ik je een voorbeeld van één van mijn activerende werkvormen waarbij leerlingen zeer gemotiveerd en actief met de lesstof aan de gang gaan. Waar leerlingen normaliter gretig gebruik maken van de werkwijze ‘het komt later wel, nu heeft de lesstof geen prioriteit’, beloof ik je dat dit bij deze werkvorm totaal anders zal zijn.

Hoe ziet deze werkvorm er dan uit? Zoals de titel van deze blog al doet vermoeden, organiseer ik een les waarin leerlingen de opdracht krijgen om zelf toetsvragen te bedenken. Ik zet deze werkvorm regelmatig halverwege een hoofdstuk in om mijn leerlingen alvast te stimuleren om met een gedeelte van de stof actief aan de slag te gaan, ruim voordat er een toetsmoment in zicht is. De details en mijn achterliggende gedachten bij deze activerende werkvorm deel ik hieronder.

De spelregels

Bij deze manier van werken is het belangrijk dat je leerlingen houvast geeft. Toetsvragen bedenken zit niet in hun systeem. Mede daarom geef ik mijn leerlingen de volgende kaders mee:

  • Je doet deze opdracht in groepjes van 2
  • Denk aan het verschil tussen open en gesloten vragen. Een toetsvraag kun je vaak niet beantwoorden met alleen maar ja of nee. Het helpt leerlingen om hier een paar voorbeeldvragen bij te geven.
  • Ontwerp / creëer vragen met wisselende moeilijkheidsgraad en bedenk heel goed hoeveel punten je aan een vraag toekent. Beargumenteer je keuze voor het ontwerpen van juist deze vraag en daarnaast ook het toegekende aantal punten.
  • Maak een antwoordmodel waarin je nauwgezet aangeeft aan welke eisen het antwoord moet voldoen om (deel)scores te ontvangen.

In een poging mijn leerlingen nog wat extra te prikkelen, voeg ik naast bovenstaande kaders nog een tweetal suggesties toe:

  • probeer je klasgenoten uit te dagen met jouw vragen (jij weet het antwoord op jouw vraag, maar zij immers niet)
  • wees creatief en neem de vrijheid om je eigen context / bronnenmateriaal te ontwerpen.

Aan het einde van de les leveren de leerlingen hun gemaakte vragen bij mij in en vervolgens maak ik een selectie uit de vragen voor het ontwerpen van de definitieve toets, eventueel aangevuld met eigen vragen.

Een praktijkvoorbeeld

Afgelopen woensdag besloot ik bovenstaande werkvorm weer eens in te zetten, nadat ik deze naar mijn smaak iets te lang op de spreekwoordelijke plank had laten liggen. Tot mijn vreugde was het ook dit keer weer een succes.

De tafeltjes van mijn 3de klas leerlingen lagen vol met aantekeningen, lesboeken en in sommige gevallen de mobiele telefoon (na toestemming van mij om iets op te zoeken). Koortsachtig werd er gewerkt aan het bedenken van toetsvragen. Regelmatig kreeg ik bezoek bij mijn bureau met vragen over de kwaliteit van de verzonnen vragen.

Zo vroeg Joost mij: “Is dit niet te moeilijk meneer?”. Gevolgd door Marloes met: “Mag ik het ook zo doen meneer?”. Vanwege het feit dat leerlingen niet alleen de vraag, maar ook het antwoordmodel moesten bedenken, ontstond er onderling veel discussie over wat een ‘goed’ antwoord is, waar het antwoord aan moet voldoen en hoe je beoordeelt of iets wel of niet klopt. In sommige gevallen leidde dit ertoe dat ik een tweetal leerlingen nog eens wat extra uitleg gaf zodat ze hun antwoordmodel konden perfectioneren. De gretigheid waarmee mijn leerlingen daarbij aantekeningen maakten, zie ik tijdens andere lessen absoluut niet terug.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik ontzettend zat te genieten van de manier waarop mijn leerlingen bezig waren met de leerstof.

Naast de mooie discussie en de goede vragen, was het leuk om te zien hoe verschillend leerlingen de opdracht aanpakten. Sommige leerlingen namen bestaande opgaven uit het lesboek en pasten deze aan. Anderen begonnen helemaal vanaf nul en lieten hun fantasie de vrije loop. Eigen interesses (Harry Potter, paardrijden etc.) werden volop in de opgaven verwerkt.

Verder toonden sommige leerlingen een grote mate van solidariteit met hun klasgenoten: “Ja meneer, iedereen moet de kans krijgen om een voldoende te halen met hard leren, dus ik heb ook een paar makkelijke vragen gemaakt”. Probeer daar maar eens niet trots op te zijn.

Toen ik aankondigde dat het tijd werd om de ontworpen vragen in te leveren omdat het lesuur er bijna op zat, kwam er een collectief: “meneer, mogen we in de pauze nog even doorgaan?”. Tim, een leerling die regelmatig moeite heeft zich te concentreren tijdens de les, voegde gepikeerd toe: “ik had niet door dat de tijd zo snel ging meneer, dus nu heb ik maar de helft van mijn vraag afkregen, mag ik volgende les niet nog even verder gaan?”.

Ik wist in ieder geval dat ik deze werkvorm met recht activerend mag noemen.

Achterliggende gedachten en twijfels

Wat ik aan deze werkvorm erg positief vind, is dat leerlingen, zonder dat er een toets in het vooruitzicht ligt (een duidelijke extrinsieke motivator), actief aan de slag gaan met de stof. Met elkaar proberen ze te bepalen wat nu de essentie van de leerstof is, welke belangrijke vragen er gesteld kunnen of moeten worden en welke specifieke antwoorden passend zijn op deze vragen. Feitelijk heeft het elementen van formatieve evaluatie; de leerlingen creëren hun eigen feedback omdat ze erachter komen wat ze al wel en wat nog niet weten.

Met name het bedenken van de benodigde antwoorden (het correctiemodel) is mijns inziens essentieel en het meest waardevol. Het dwingt leerlingen om echt goed na te denken over waarom de dingen zijn zoals ze zijn en wat er nodig is om tot de kern van de vraag door te dringen. Eventuele foutjes in de correctiemodellen haal ik er zelf uit en gebruik ik in de les(sen) die op deze werkvorm volgen. Ideaal om veelgemaakte foutjes en misconcepties nog eens te bespreken.

Ondanks mijn positieve waardering voor deze werkvorm, had ik toch ook zeker twijfels voorafgaand aan de eerste keer dat ik deze werkvorm uitprobeerde.

Maak ik het mijn leerlingen niet te makkelijk als zij de vragen bedenken? Ze kennen immers (een deel van) de vragen van tevoren al. Daag ik ze dan wel genoeg uit? Krijg ik op deze manier wel een fatsoenlijke toets met goede vragen? Zegt het voldoende over hun inzicht?

Laat ik een bescheiden poging doen om op bovenstaande vragen een antwoord te formuleren.

Allereerst bepaal ik uiteindelijk zelf welke vragen erin komen. Ik behoud dus controle over de kwaliteit en diversiteit van de vragen. Daarbij verzorg ik nog altijd zelf de opbouw van de toets met een realistische verdeling van reproductie-, toepassing- en inzichtvragen.

Wat de kwaliteit van de vragen betreft: de door mijn leerlingen aangeleverde vragen zijn in veel gevallen heel goed, omdat ik van tevoren duidelijk met ze heb doorgenomen wat de kenmerken zijn van een ‘goede vraag’. En door de goede discussies en de vele vragen aan elkaar en aan mijzelf, zit het met het antwoordmodel ook wel goed. Het helpt natuurlijk ook dat ze het lesboek als inspiratiebron en back-up ter hand kunnen nemen.

Mocht de kwaliteit van de vragen toch wat tegenvallen (soms gebeurt dat nu eenmaal), dan gebruik ik elementen van de vragen van mijn leerlingen en verbeter ik ze enigszins. De leerling herkent zo alsnog zijn of haar vraag. Je kunt je overigens afvragen of het per se heel belangrijk is dat de door leerlingen ontworpen vragen heel goed zijn. Het hoofddoel is namelijk het actief verwerken van de stof. Als dat lukt, dan zijn vragen van hoge kwaliteit eigenlijk vooral een bonus.

Verder kennen mijn leerlingen eigenlijk alleen hun eigen opgestelde vragen tot in detail. Ik neem de vragen per tweetal in en deze worden dus niet actief met elkaar gedeeld. Natuurlijk kunnen leerlingen alsnog op een of andere manier met elkaar delen welke vragen ze hebben bedacht om vervolgens die vragen goed te leren en het juiste antwoord te bediscussiëren, maar dan leren ze in ieder geval. En qua ‘toepassing’ en ‘inzicht’ vragen voeg ik er, zoals eerder gezegd, altijd zelf nog iets aan toe.

Een van de belangrijkste doelen is wat mij betreft dat leerlingen de lesstof actief verwerken. Er moet iets gebeuren tussen de oren. Als deze manier van werken er toe leidt dat leerlingen al voordat de toets er is, antwoorden op belangrijke vragen weten, dan heb ik hier uiteraard meer dan vrede mee. Het doel is dat leerlingen leren, niet of ik ze wellicht tijdens het officiële toetsmoment weet te verrassen met vragen.

Je zou je zelfs af kunnen vragen wat uiteindelijk de toegevoegde waarde van een toets nog is en welk nut de toets dient.

Mijn voorlopige conclusie is in ieder geval dat leerlingen met deze werkvorm een hoge mate van verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leerproces en dat het daarnaast ook nog eens erg leuk is om te doen!

Ik hoop dat ik je in deze blog op een heldere manier duidelijk heb gemaakt hoe deze werkvorm werkt en wat mijn achterliggende gedachten waren. Bovenal hoop ik dat je heb geïnspireerd om er iets mee te doen in jouw eigen lessen.

– Christiaan

Vraag: wat roept deze werkvorm bij jou op? Waarom zou je het wel/niet uitproberen?

Ik zou het leuk vinden als je hier beneden een reactie achterlaat

51 Shares
Share
Share
Tweet
WhatsApp